Laboratorium

Informatie, protocollen en adviezen lab

Het allergieprotocol bij SALT is afgestemd op zinnige en zuinige diagnostiek en werkt als volgt:

• De voorkant van het formulier is bedoeld om inzicht te krijgen in de anamnese, zodat een relatie met een (on)duidelijke uitslag kan worden vastgesteld. Ook geeft dat de mogelijkheid om over zinnige vervolgdiagnostiek na te kunnen denken.

• De achterkant van het formulier kent naast specifieke allergenen ook MENGSEL bepalingen, die zijn te herkennen aan de x, Fx1, Fx2, etc. Deze bepalingen zijn een mix van de meest voorkomende IgE-allergenen, zodat u voor de kosten van één bepaling, meerdere onderzoeken krijgt. Het is wel zo dat de mix een positieve, of negatieve (kwalitatieve) uitslag geeft. Bij een positieve uitslag weet u niet welk allergeen daarvoor verantwoordelijk is. Fx5, Fx77 en Tx9 worden standaard uitgesplitst (bij een positieve uitslag), de overige mixen alleen op aanvraag.
Alle bepalingen zonder een x zijn specifieke allergenen en geven een kwantitatieve uitslag, welke o.a. in een klasse van 1 tot en met 6 wordt weergegeven. Zo is klasse 1 een zeer milde sensibilisatie.
De PHADIATOP is een mix van een groot aantal inhalatie-allergenen en bij een positieve uitkomst, worden deze uitgesplitst. In de Phadiatop zitten o.a. de volgende (mix)allergenen: gras-, boom en kruidpollen, kat, hond, paard en huisstofmijt.
Wat niet in de Phadiatop zit, zijn schimmelsporen en knaagdieren. Deze mixen worden naast de Phadiatop bepaald, omdat sensibilisatie voor deze allergenen vaak voorkomen. Bij de diagnostiek van voedselallergie wordt als basis VOEDSELMIX 1: Fx5, waarin kippeneiwit, melk, vis, tarwe, pinda en soja allergenen zitten en de VOEDSELMIX 2: Fx77 bepaald. Met de Fx77 worden hazelnoot, cashewnoot, sesamzaad, kiwi en tomaat bepaald. De Fx5 en Fx77 voedselmix worden tot en met de leeftijd van 10 jaar standaard uitgevoerd.
Bij een allergie-aanvraag bepalen wij tevens de totale eosinofielen (eo’s) en totaal IgE. De eo’s reageren op een sensibilisatie en zijn daarmee een goedkope en betrekkelijk gevoelige parameter. Totaal IgE is minder specifiek, maar geeft tezamen met de eo’s wel een indruk over een mogelijke sensibilisatie. Vooral een sensibilisatie met hazelnoot, pinda en vis allergenen kunnen de totaal IgE verhogen.
Voor het meten van het effect van desensibilisatie is de IgE niet geschikt en kan de IgG-4 worden bepaald.

Samengevat

Bij een allergieonderzoek verricht SALT primair:

• Totaal IgE en totale eosinofielen
• Phadiatop
• Mx1 (schimmelmix)
• Ex70 (knaagdierenmix)
Bij een leeftijd tot en met 10 jaar wordt dit standaard uitgebreid met:

• Voedselmix 1: Fx5
• Voedselmix 2: Fx77
Afhankelijk van de uitkomst vindt specifiek vervolgonderzoek plaats, zodat de aanvrager weet welke allergenen verantwoordelijk zijn voor de sensibilisatie. Uitgangspunt is dat, zonder een door de aanvragende arts expliciet aangegeven indicatie, geen specifieke allergenen worden bepaald. Het komt echter voor dat cliënten zelf meerdere kruisjes zetten, zonder zich te realiseren dat het kostbare onderzoeken zijn.

Desgewenst kunt u, in combinatie met de screening, enkele specifieke allergenen aanvragen.

Indien het allergieonderzoek is aangevraagd door de huisarts, zal aan de gecompliceerde afwijkende uitslagen tevens een beoordeling worden toegevoegd door de allergoloog of consulent allergologie.

Phadiatop:
boompollenmix 9 (tx9), kruidpollenmix 3 (wx3), schimmelmix 1 (mx1), huisstofmijt (d1), kat (e1), paard (e3) en hond (e5)

Graspollenmix 3 (gx3):
reukgras (g1), engels raaigras (g5), timotheegras (g6), rogge (g12) en echte witbol (g13)

Boompollenmix 9 (tx9):
grauwe els (t2), ruwe berk (t3), hazelaar (t4), eik (t7) en wilg (t12).

Kruidpollenmix 3 (wx3):
bijvoet (w6), smalle weegbree (w9), witte- of melganzevoet (w10), guldenroede (w12) en grote brandnetel (w20)

Schimmelmix 1 (mx1):
Penicillium notatum (m1), Cladosporium herbarum (m2), Aspergillus fumigatus (m3) en Alternaria tenuis (m6)

Knaagdierenmix (ex70):
cavia-epitheel (e6), konijnenepitheel (e82), hamsterepitheel (e84), ratmengsel (e87) en muismengsel (e88)

Verenmix 1 (ex71):
ganzenveren (e70), kippenveren (e85), eendenveren (e86), kalkoenveren (e89)

Volièrevogelmix (ex72):
parkietveen (e78), kanarieveren (e201), papegaaienveren (e213) en vinkenveren (e214)

Voedselmix 1 (fx5):
eiwit (f1), melk (f2), kabeljauw (f3), tarwe (f4), pinda (f13) en soja (f14)

Voedselmix 2 (fx77):
sesamzaad (f10), hazelnoot (f17), tomaat (f25), kiwi (f84) en cashewnoot (f202)

Notenmengsel 1 (fx1):
pinda (f13), hazelnoot (f17), paranoot (f18), amandel (f20) en kokosnoot (f36)

Notenmengsel 2 (fx22):
Pecannoot (f201), cashewnoot (f202), pistache noot (f203), walnoot (f256).

Zeebanketmix (fx2):
kabeljauw (f3), garnaal (f24), zeeuwse mossel (f37), tonijn (f40) en zalm (f41)

Granenmix (fx3):
tarwe (f8), haver (f7), mais (f8), sesamzaad (f10) en boekweit (f11)

Om de diagnostiek van anemie zo doelmatig mogelijk te laten verlopen hebben wij een anemie screeningsprotocol in ons aanvragen pakket opgenomen.
Bij de bloedafname wordt alvast extra bloed afgenomen om in het geval dat de hemoglobine concentratie in het bloed is verlaagd, direct diagnostisch vervolgonderzoek uit te kunnen voeren. Deze vervolgonderzoeken worden uitgevoerd conform de NHG-standaard.

Een vervolgonderzoek vindt alleen plaats indien het Hb verlaagd is. Welke vervolg onderzoeken er worden uitgevoerd is afhankelijk van de uitslag van het MCV. Ons Laboratorium Informatiesysteem beoordeelt het Hb en de MCV-uitslagen aan de hand van de referentiewaarden. Deze referentiewaarden zijn afhankelijk van leeftijd en geslacht van de cliënt. Na de interpretatie van de uitslagen worden in ons computersysteem de volgende bepalingen automatisch toegevoegd, de betreffende analyses worden verricht en gerapporteerd.

Hb verlaagd en MCV verlaagd:

• Ferritine
• Serum ijzer
• Transferrine

Hb verlaagd en MCV normaal:

• Ferritine
• Trombocyten
• Leucocyten
• LDH
• Serum ijzer
• Transferrine
• Reticulocyten

Hb verlaagd en MCV verhoogd:

• Trombocyten
• Leucocyten
• Vitamine B12
• Foliumzuur
• Reticulocyten

Het is al jaren bekend dat patiënten met een berkenpollenallergie klachten kunnen ervaren na het eten van fruit, groenten, pinda’s en/of noten. Van de patiënten die allergisch zijn voor berkenpollen geeft meer dan 50% van de patiënten aan in meer of mindere mate last te hebben van een voedselallergie. Veelal worden deze klachten beschreven als jeuk aan de lippen, tong en keel. Dit wordt ook wel oraal allergie syndroom (OAS) genoemd en staat bekend als paraberksyndroom, een kruisreactie bij de berkenpollen allergie.

Een voedselallergie is gedefinieerd als een ongewenste, immunologisch gemedieerde, reproduceerbare reactie op voedsel. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen een primaire en secundaire voedselallergie. Bij het paraberksyndroom gaat het om een secundaire voedselallergie: een voedselallergie als gevolg van kruisreactiviteit tussen het belangrijkste berkenpollenallergeen Bet v1 en structureel gerelateerde plantaardige eiwitten. Dit Bet v1- allergeen maakt deel uit van een grotere groep plantaardige, cytoplasmatische eiwitten die de ‘pathogenesis related-proteins family 10’ (PR-10) wordt genoemd. Deze PR-10-eiwitten vormen een onderdeel van het beschermingsmechanisme van planten tegen schimmels, bacteriën, virussen en ongunstige omgevingsfactoren. Hieraan gerelateerde allergenen omvatten een groot gebied in het rijk der planten.

In de praktijk betekent dit dat patiënten die in het kader van hun hooikoorts primair reageren op het Bet v1 in de berkenpollen, ook kunnen reageren met een reeks aan andere plantaardige voedingsmiddelen als deze rauw gegeten worden, omdat deze ook een PR10 eiwit bevatten homoloog aan Bet v1. Het eten van deze voedingsmiddelen zal veelal alleen oraal klachten veroorzaken (oraal allergie syndroom, OAS). Dit kan vervelend zijn en dat kan een reden zijn om deze voedingsmiddelen te mijden. Verhitten van het voedingsmiddel geeft meestal geen klachten, aangezien PR10 hittegevoelige eiwitten zijn en kapot gaan bij verhitting.

Tabel 1 bevat een lijst van voedingsmiddelen die een Bet v1 homoloog bevatten en die klachten kunnen geven in het kader van het paraberksyndroom. Indien gewenst kan er hiervoor specifieke diagnostiek worden ingezet. Heeft u vragen over een specifieke klacht bij een patiënt en vermoedt u paraberksyndroom? Neem dan contact op met een laboratoriumspecialist klinische chemie.

Voedingsmiddel PR-10 Allergeen
Rosaceae
− aardbei Fra a1
− abrikoos Pru ar 1
− amandel Pru du 1
− appel Mal d1
− framboos Rub i1
− kers Pru av 1
− peer P yr c1
− perzik Pr u p1
− pruim Pru d1
Solanaceae
− aardappel STH-2/STH-21
− paprika Cap a17 kD
− tomaat Lyc e1
Umbelliferae
− anijs Pim a1
− peterselie Pet c1
− selderij Api g1
− venkel Foe v1
− wortel Dau c1
Fabaceae
− pinda Ara h8
− soja Gly m4
Andere families
− hazelnoot (Betulaceae) Cor a1
− jackfruit (Moraceae) Art h 17kD
− kastanje (Fagaceae) Cas s1
− kiwi geel (Actiniaceae) Act c8
− kiwi groen Act d8
− mango (Anacardiaceae) Man i 14 kD
− meloen (Cucurbitaceae) Cuc m3
− sharonfruit/kaki (Diospyros) Dio k 17kD
− walnoot (Juglans regia) Jug r5

Referenties:

1. Schregardus, A.D. Huisman-Michelsen, A.C. Knulst. Paraberksyndroom. Ned Tijdschr Allergie & Astma 2013;13:133-137

EAACI Molecular Allergology User’s guide, 2016. ISBN 978-3-033-05653-4

Sinds 19 oktober 2015 verricht het OLVG deze diagnostiek volgens het diagnostische protocol van het laboratorium van het OLVG onder verantwoording van dr. Inez-Anne Haagen (klinisch chemicus en medisch immunoloog).

De diagnostiek voor coeliakie wordt uitgevoerd volgens het schema van de “The European Society for Pediatric Gastroenterology and Nutrition” 2012 (ESGHAN, 1). Kort samengevat houdt dit in dat bij een eerste aanvraag IgA, IgA-tTG en IgG-DGP bepaald zullen worden.
De IgA-antistof afhankelijke testen zullen alleen worden bepaald indien IgA >0,2g/L. Indien IgA-tTG positief is wordt een IgA-EMA ter bevestiging toegevoegd. Ook als er een discrepantie is in de uitslagen IgA-tTG en IgG-DGP wordt een IgA-EMA toegevoegd.
Indien de IgA <0,2g/L worden alleen IgG-antistof bepalingen ingezet: IgG-tTG en IgG-DGP.

Het bevestigen met antistoffen tegen EMA in dit schema is op basis van de genoemde hoge specificiteit van deze antistoffen. Echter antistoffen tegen EMA zijn gericht tegen het tTG-antigeen en daarom zullen de testresultaten elkaar (bijna geheel) overlappen. De specificiteit van de antistoffen tegen EMA zijn niet absoluut en de sensitiviteit is lager dan IgA-antistoffen tegen tTG. Alleen bij het vervolgen van een dieet, na het stellen van de diagnose bij een antistof-positieve patiënt, zullen antistoffen tegen EMA langer aantoonbaar kunnen zijn.

Het toevoegen van IgG-DGP antistoffen aan de eerste aanvraag verhoogd de likelihood ratio voor het stellen van de diagnose van coeliakie.
Positiviteit voor zowel IgA-tTG als voor IgG-DGP heeft een likelihood ratio van 159, terwijl positiviteit voor IgA-tTG een likelihood ratio heeft van 60,5 (positief in 84% van de patiënten met coeliakie) en IgG-DGP een likelihood ratio van 31.2 (positief in 89,7% van de patiënten met coeliakie)(2).

(1)Husby S. et al. ESPGHAN Gastroenterology Committee; European Society for Pediatric Gastroenterology, Hepatology and Nutrition. European Society for Pediatric Gastroenterology, Hepatology and Nutrition guidelines for the diagnosis of coeliac disease. J Pediatr Gastroenterel Nutr 2012; 54: 136-60 (2)Oyaert M. et al. Combining antibody tests and taking into account antibody levels improves serologic diagnosis of celiac disease. Clin Chem Lab Med 2015; 53(10): 1537-1546

In het verzorgingsgebied van SALT heeft de huisarts de mogelijkheid om een CRP zelf te bepalen. Bij 31 huisartsenpraktijken heeft het SALT inmiddels een POCT- meter geplaatst.

De POCT-CRP is een sneltest voor het kwantitatief meten van een CRP waarde in capillair bloed. Een CRP bepaling kan bijdragen aan het maken van een onderscheid tussen een pneumonie en een milde onderste luchtweginfectie bij matig zieke volwassen patiënten met enkele algemene en/of lokale ziekteverschijnselen. Ook bij de inschatting van buikklachten ( appendicitis, diverticulitis etc. ) zou de CRP een hulpmiddel kunnen zijn, hoewel het klinisch beeld ook van grote waarde is.

Belangrijk is het snel bekend zijn van resultaten, waardoor een snelle aanvang of aanpassing van de behandeling mogelijk is. Door het onnodig voorschrijven van antibiotica te voorkomen zal de kans op ontwikkeling van bacteriële resistentie afnemen.

NHG standaard acuut hoesten :

SALT zorgt voor validatie en beheer van apparatuur en training van de gebruikers. Ook dragen wij zorg voor de naleving van de werkprotocollen en controlemetingen en voeren de jaarlijkse kwaliteitscontrole uit dit conform het kwaliteitssysteem van SALT (ISO 15189). De gebruiker dient de geaccrediteerde nascholingsmodule (online) te volgen op www. acutehoest.nl

Wilt u meer weten over de mogelijkheden van de CRP-sneltest in uw praktijk? Neem dan vrijblijvend contact op met één van onze POCT medewerkers via telefoonnummer 088-9100100 tst 158.

Diagnostiek Heliobacter Pylorie

Voor het aantonen van een infectie met Helicobacter is het aantonen van antigeen in feces te verkiezen boven de serologie. Enerzijds is bij de fecestest de uitslag binnen enkele dagen bekend en anderzijds is de betekenis van de serologie in de diagnostiek vrij beperkt. Een positieve serologie betekent dat de patiënt contact heeft gehad met de Helicobacter, maar zegt niets over hoe actueel de infectie op dit moment is. Vandaar wordt er door de medisch microbioloog gevraagd om een tweede bloedmonster na enkele weken af te nemen, zodat er een titerstijging kan worden vastgesteld bij een actuele infectie

Diagnostiek van een Legionelle infectie

Serologie is niet geschikt om in de acute fase te gebruiken als diagnosticum, omdat deze pas na dagen tot weken positief wordt. Een negatieve serologie sluit een legionella infectie dan ook niet uit. Anderzijds kan een monster ook positief zijn omdat patiënt eerder een (subklinische) infectie met legionella heeft doorgemaakt. Dit is de reden dat er ook in dit geval door de medisch microbioloog wordt gevraagd om een tweede serum na enkele weken af te nemen, zodat er een seroconversie of titerstijging kan worden vastgesteld bij een actuele infectie.
Alternatief is een legionella antigeentest in urine aan te vragen. Deze test wordt meestal positief als patiënten ernstig ziek zijn. Echter bij minder zieke patiënten kan de test negatief blijven terwijl er wel sprake is van een legionella infectie. Beperking is ook dat de test toont alleen Legionella Pneumophila serotype I aantoont. Dit is weliswaar het meest voorkomende type, maar infecties worden ook veroorzaakt door andere serotypes en andere subspecies. Samenvattend: een positieve Legionella antigeentest is bewijzend voor een legionella infectie. Een negatieve antigeentest sluit een Legionella infectie niet uit!

Voor het aantonen van drugsgebruik is een screening van een urinemonster het meest gebruikelijke.
Bij het testen van urinemonsters op drugs moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de monsters gemanipuleerd worden: substitutie met andere urine of met bijvoorbeeld appelsap en toevoeging van stoffen die óf de analyse storen zoals bleekwater óf suggereren dat middelen zijn gebruikt. Daarom is het noodzakelijk dat van een monster vooraf ook het kreatinine-gehalte en de pH worden gemeten, teneinde zo de betrouwbaarheid van het monster te testen. Indien de kreatinine < 2 mmol/l dan heeft een negatieve uitslag voor drugs geen informatieve waarde.

De termijn dat drugs aantoonbaar blijven in urine is doorgaans enkele dagen, maar bij regelmatig gebruik kan dit oplopen tot enkele weken.
De meeste drugs zijn na vier dagen niet meer aantoonbaar. Dit geldt bijvoorbeeld voor:

• Amfetaminen, inclusief XTC-achtigen
• Cocaïne
• Opioïden, inclusief heroïne, codeïne en morfine
Een paar soorten zijn normaliter wel langer dan vier dagen aantoonbaar, bijvoorbeeld:

• Benzodiazepinen: afhankelijk van welke benzodiazepine van 5 uur tot 20 dagen aantoonbaar
• Cannabis: is vaak zelfs tot 6 weken na stoppen met gebruiken aantoonbaar
Bij drugsscreening worden in eerste instantie immunologische methoden gebruikt die praktisch en snel zijn in uitvoering en met een grote sensitiviteit. Nadeel hiervan is dat de specificiteit beperkt is, waardoor er kruisreakties kunnen ontstaan met andere producten op groepsreacties (bijvoorbeeld codeïne in testen voor opiaten, XTC in testen op amfetamine). Daarom is vervolgonderzoek met behulp van een GC-MS (gaschromatograaf-massaspectrofotometer) noodzakelijk. Deze testen worden doorgaans maar enkele malen per week bepaald, waardoor de uitslag later bekend is.

Naam stof / geneesmiddel Screening
Maanzaad Opioïden
Codeïne (Natterman*, tabletten) Opioïden
Efedrine (Natterman*) Amfetaminen
Fenfluramine (Ponderal,Isomeride) Amfetaminen
Fentermine Amfetaminen
Pseudoefedrine Amfetaminen
Pipamperon LSD
Prilocaïne LSD
Tyramine Amfetaminen
Drugstest Detectielimiet Tijd aantoonbaar in urine bij éénmalig gebruik Tijd aantoonbaar in urine bij regelmatig gebruik Producten
Opiaten # 300 ng/ml
Morfine 2 dagen 3 dagen – 3 weken Heroïne, morfine
N-AC-morfine 4 uur 3 – 4 dagen Heroïne (specifiek metaboliet)
Codeïne 2 dagen 3 dagen – 3 weken Codeïne, heroïne, morfine
Amfetamine 300 ng/ml
Amfetamine 2 – 4 dagen Amfetamines
Metamfetamine 2 – 4 dagen
MDMA, XTC XTC- ecstacy
THC #(cannabinoïden)# 50 ng/ml 1 – 5 dagen > 1 maand Cannabis, marihuana, hashish, hennep
Cocaïne# 300 ng/ml 1 – 3 dagen 3 dagen – weken Cocaïne
Barbituraten 200 ng/ml Weken tot > 1 maand Allerlei
Benzodiazepines# 200 ng/ml > 1 week Allerlei
Methadon# 250 ng/ml 2 – 3 dagen Methadone

# Deze testen maken onderdeel uit van het pakket drugs screening. De amfetaminen en de barbituraten kunnen separaat worden aangevraagd.

Kreatinine klaring (clearance)

Deze klaring kan worden berekend op basis van de serum kreatinine en de kreatinine uitscheiding in een 24-uurs urine.

Micro-albumine

Albumine in urine wordt gewoonlijk gemeten in een eerste ochtendurine. De weergave van de albumine resultaten geschiedt bij voorkeur ten opzichte van de kreatinine uitscheiding, zodat gecorrigeerd wordt voor het meer of minder geconcentreerd zijn van de urine (weergave van de concentratie van albumine gaat ten koste van sensitiviteit en specificiteit). Dit wordt dan als albumine kreatinine ratio weergegeven. In dubieuze gevallen kan gebruik worden gemaakt van een 24-uurs urine.
Bij een uitslag van > 200 mg albumine/l speekt men van macro albuminurie.
Indien de uitslag > 400 mg albumine/l is wordt een totaal eiwit bepaling in urine verricht.

Verzamelen en inleveren

Voor het meest gebruikelijke onderzoek in urine is het aan te bevelen dat de cliënt thuis de ochtendurine in een schoon speciaal urinepotje kan opvangen. Deze potjes kunnen worden verstrekt door het laboratorium, de huisarts en de apotheek. De huisarts kan de potjes bij het laboratorium aanvragen en de potjes bij de apotheek dienen door de cliënt zelf betaald te worden. Op alle afnamelocaties kan tijdens de geldende spreekuurtijden het urinemonster ingeleverd worden. Urine’s kunnen ook ingeleverd worden op het coördinatiepunt in Purmerend tot 12.00 uur en op het laboratorium in Koog aan de Zaan tot 13.00 uur.

24 uurs-urine

Voor bepaalde onderzoeken is “24 uurs- urine” vereist. Voor het verkrijgen van de potten waarin de 24 uurs urine bewaard moet worden, dient de cliënt telefonisch contact op te nemen met het laboratorium.

Speciale cliënten instructie
Voor het verzamelen van 24-uurs urine begint men in principe om 8.00 uur ‘s ochtends tot en met de volgende dag 8.00 uur. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een opvangbeker. De eerste ochtenurine wordt weggegooid, daarna wordt alle urine bewaard in door het laboratorium verstrekte 24-uurs urine potten. De volgende dag wordt de ochtendurine wel bewaard.
Opmerking:
Bij kreatinine- of urinezuurklaring wordt bij afgifte van de 24-uurs urine tevens bloed afgenomen.
Aangezuurde Urine
Voor sommige bepalingen is er aangezuurde urine nodig, n.l. VMA of 5 HIAA. Dit bijtende zuur bevindt zich al in de potten voordat de urine verzameld wordt. Het is van belang dat het zuur erin blijft! De manier van urine sparen blijft dezelfde.
Let op:
Deze 24-uurs urine potten moet door client afgehaald worden op het laboratorium. De client mag geen andere potten/flessen gebruiken en niet rechtstreeks in de pot uitplassen ! (Waarschuwen voor spatten op de kleding, gebruik hiervoor de opvangbeker).
Als voorbereiding voor het verzamelen van urine t.b.v. VMA-bepaling mogen gedurende 3 dagen de volgende producten niet worden genuttigd:

– Bananen
– Walnoten
– Tomaten
– Ananas
– Aubergines
– Avocado’s
– Pruimen
– Hoestdrank

Doel

Het aantonen van lactose malabsorptie middels een orale lactosebelasting. Bij een deficiëntie van het enzym lactase in de darmmucosa wordt de disacharide lactose niet of onvoldoende omgezet in de monosachariden glucose en galactose. Alleen deze monosachariden kunnen worden geabsorbeerd; deze absorptie resulteert in een stijging van glucose in bloed. Indien de lactose niet voldoende wordt afgebroken, dan resulteert dit in verhoogd aanbod van mono- en disachariden in het colon. Die leidt tot toegenomen fermentatie, hetgeen met klachten gepaard gaat.

Beschrijving test

De cliënt dient minstens 8 uur nuchter te zijn voor dit onderzoek. Na afname van een nuchtere glucose, krijgt cliënt een drankje met hierin opgelost 50 g lactose. Vervolgens wordt na 30, 60, 90 en 120 minuten een glucose bepaald. Naast deze metingen van de bloedglucose is het voor de beoordeling ook van belang of tijdens de test klachten gaan optreden, zoals meteorisme, buikkrampen, borborygmi of diarree.

Interpretatie

De Lactose tolerantietest wordt als afwijkend beschouwd als de maximale bloedglucosestijging kleiner is dan 1,1 mmol/l. De maximale stijging treedt meestal binnen 1 uur na belasting op. Deze bevinding is alleen relevant als zich tijdens de test klachten voordoen. Een afwijkende LTT zonder klachten komt voor bij een vertraagde maaglediging, maar ook bij gezonde personen. Een afwijkende LTT zonder begeleidende klachten is geen indicatie voor een lactose beperkt dieet.

Klinische achtergrond

Lactasedeficiëntie komt in de aangeboren vorm weinig voor bij personen van het Kaukasische ras, afgezien van (premature) neonaten. Frequent is het voorkomen bij niet-Kaukasische rassen vanaf ongeveer het vijfde levensjaar. Bij personen uit Suriname, Marokko, Turkije en Azië, die regelmatig worden gezien met buikklachten, zal men bedacht zijn op lactose gerelateerde klachten. De secundaire vorm (dit is verworven) wordt aangetroffen bij beschadiging van het dunne darmslijmvlies, bv.:

• Na een virale gastro-enteritis. Dit kan enkele weken tot een half jaar aanhouden.
• In geval van een infectie met Giardia lamblia (feces onderzoek, duodenumbiopt).
• Bij coeliakie patiënten. Zij hebben een lactasedeficiëntie als gevolg van de vlokatrofie.
• Na therapie met orale cytostatica.
Doorgaans wordt de lactose-H2-ademtest door zijn grotere betrouwbaarheid en mindere belasting voor de patiënt geadviseerd als meest voor de hand liggende diagnostische test bij deze aandoening. Deze test kan niet bij SALT worden aangevraagd.

Geschatte nierfunctie volgens MDRD wordt vervangen door CKD-EPI

De nierfunctie wordt in het laboratorium bepaald door gebruik te maken van de hoeveelheid kreatinine dat wordt uitgescheiden in 24-uurs urine. De nierfunctie kan ook worden geschat door gebruik te maken van de concentratie kreatinine in plasma. Om een goede inschatting te maken van de actuele nierfunctie zijn berekeningen ontwikkeld die m.b.v. de plasma kreatinine, maar ook leeftijd, geslacht en spiermassa een goede schatting maken van de nierfunctie. Sinds 1999 wordt de eGFR (estimated glomerular filtration rate) geschat m.b.v. de MDRD formule. In 2009 is de CKD-EPI (Chronic Kidney Disease Epidemiology Collaboration) formule ontwikkeld2. Ook bij de CKD-EPI formule wordt aan de hand van de serum kreatinine waarde, de leeftijd en geslacht de eGFR berekend. De CKD-EPI formule heeft een aantal verbeteringen ten opzichte van de MDRD-formule2:

• De CKD-EPI formule is breder toepasbaar dan de MDRD formule, omdat de formule ook gevalideerd is voor eGFR waarden tussen de 60 en 90 ml/min/1.73m² en voor personen ouder dan 70 jaar.
• Een gering nierfunctieverlies (eGFR tussen de 60 en 90 ml/min/1.73m² ) is met de CKD-EPI formule betrouwbaarder te detecteren.
• Jongeren worden met de CKD-EPI formule vaker geclassificeerd in een hogere GFR klasse. Ouderen worden met de CKD-EPI formule vaker geclassificeerd in een lagere GFR klasse. De eGFR op basis van de CKD-EPI formule leidt hiermee tot minder “onterechte” verwijzingen naar de 2e lijn en een verbeterd medicatiebeleid op geleide van nierfunctie.

Indien de patiënt behoort tot het negroïde ras dient het resultaat van de eGFR-berekening nog vermenigvuldigd te worden met een factor 1.16.

Bij SALT is de eGFR, berekend volgens MDRD én volgens CKD-EPI, reeds langere tijd naast elkaar aan u gerapporteerd. Zoals in onze digitale nieuwsbrief is aangekondigd zal per 1 april 2017 de MDRD formule bij SALT niet meer worden gebruikt. U vindt vanaf dan alleen nog de CKD-EPI-berekende eGFR op het rapport, conform de huidige richtlijnen.

Let op: Zowel de CKD-EPI als MDRD-formule zijn niet toepasbaar bij:

• personen jonger dan 18 jaar
• personen met een sterk afwijkend lichaamsoppervlak
• etnische groeperingen anders dan het blanke of negroïde ras
• patiënten met spierziekten, paraplegie of quadriplegie
• patiënten met een acute nierinsufficiëntie
• ondervoede patiënten
• personen met een vegetarisch dieet
• zwangeren

Referenties
1. Kidney Disease: Improving Global Outcomes (KDIGO) CKD Working group. KDIGO 2012 Clinical Practice Guideline for the Evaluation and Management of Chronic Kidney Disease. Kidney Int Suppl 2013; 3: 4–4.
2. Levey AS, Stevens L a, Schmid CH, Zhang YL, Castro AF, Feldman HI et al. A new equation to estimate glomerular filtration rate. Ann Intern Med 2009; 150: 604–612.
3. Op www.mdrd.com kunnen resultaten van verschillende formules met elkaar vergeleken worden.

Het merendeel van het laboratoriumonderzoek welke wordt aangevraagd bij SALT, wordt op ons eigen laboratorium onderzocht. Bepalingen die wij niet in eigen beheer onderzoeken, worden uitbesteed aan geaccrediteerde laboratoria die aantoonbaar voldoende expertise hebben om de betreffende analyses te verrichten.

Dit betreft onder andere de volgende laboratoria:

• AMC, Amsterdam
• AML, Antwerpen
• Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam
• GG&GD, Amsterdam
• OLVG, Amsterdam
• RIVM, Bilthoven
• SALTRO, Utrecht
• Sanquin, Amsterdam
• VUMC, Amsterdam

Aanvragen diagnostiek bij SALT via ZorgDomein

De efficiënte zorgvraag – SALT volledig digitaal

SALT is continu in beweging en onderzoekt mogelijkheden om de zorgvraag zo efficiënt mogelijk te laten verlopen.
Digitaal aanvragen van diagnostiek heeft hierin onze speciale aandacht gezien de vele voordelen.
In deze ontwikkeling luisteren we goed naar u als aanvrager en passen waar mogelijk het proces aan op uw wensen.

SALT hanteert het papierloos aanvraagproces via ZorgDomein.

Hierbij is het niet nodig om een print te maken voor verwijzing.

Voordelen van het papierloos aanvraagproces voor laboratoriumdiagnostiek:

• Uw patiënten kunnen naar de afnamepoli’s van SALT zonder papieren aanvraag.
• Aangevraagde laboratoriumdiagnostiek is en blijft gedurende 18 maanden inzichtelijk in ZorgDomein.
• Wilt u later nog een bepaling toevoegen, dat kan tot het moment van afname.
• Er kunnen ongevraagd geen extra bepalingen worden toegevoegd door derden.
• Minder foutgevoelig door digitaal verwerkingsproces.
• Minder arbeidsintensief en daarmee minder kostbaar.
• U heeft altijd de meest up-to-date laboratoriumdiagnostiek ter beschikking
• Papierreductie; printen kan wel maar hoeft niet meer.
• Snelle digitale afhandeling en terugkoppeling.

Voordelen van het papierloos aanvraagproces voor functie- en beeldvormende diagnostiek:

• De toegangstijden voor onderzoeken zijn direct zichtbaar voor u als aanvrager.
• Inclusiecriteria voor onderzoeken.
• Bij functie-aanvragen neemt SALT binnen 2 werkdagen contact op met de cliënt voor het maken van een afspraak. Indien wij de cliënt telefonisch niet kunnen bereiken kan deze contact met SALT opnemen, volgens de informatie op het patiëntbericht.
• Cliënt ontvangt direct de patiënt-informatie digitaal na verwijzing.
• Verwijzingen papierloos.
• Snelle digitale afhandeling en terugkoppeling.
• Meer informatie beschikbaar voor beoordelaar.

‘Samen voor betere, efficiënte zorg’

SALT Voorkeurslocaties instellen

Als service aan uw patiënt kunt u in ZorgDomein instellen welke SALT- locaties in de buurt van uw praktijk liggen. Deze informatie ontvangt de patiënt vervolgens op het verwijsbericht.
Door deze voorkeurlocaties in te stellen kunt u tevens bijdragen aan het beperken van overvolle wachtruimtes op bepaalde SALT poli’s.
Op dit moment merken we dat veel patiënten naar de grote, ‘bekende’ poli’s gaan waardoor daar de wachttijd enorm oploopt en de kleinere, vaak dichterbij gelegen, poli’s juist rustig zijn.
Het instellen van SALT voorkeurlocaties kunt u doen door middel van de handleiding ‘Wijzigen voorkeurlocaties’ in de kolom hiernaast.

Vragen of technische ondersteuning?

Heeft u vragen over het aanvragen van diagnostiek bij SALT via ZorgDomein, dan kunt u contact met ons opnemen.

Ook als u technische ondersteuning wenst kunnen wij u hierbij helpen.

SALT is telefonisch bereikbaar op werkdagen van 08:00 – 17:00 uur op nummer 088 9100 100 of bereikbaar per mail: info@SALT.nl.


Cito- en doorbelprocedure

Voor cito aanvragen zijn er, afhankelijk van de door de zorgverlener ingeschatte medische noodzaak, in de praktijk drie gradaties. Iedere gradatie heeft een eigen logistiek en randvoorwaarde.

1. De zorgverlener acht grote spoed medisch noodzakelijk: De zorgverlener meldt de aanvraag telefonisch aan bij de hoofdanalist (088 – 9 100 100). Deze draagt zorg voor een snelle bloedafname, transport van het materiaal naar ons laboratorium en analyse van het materiaal. Hierna worden de uitslagen zo spoedig mogelijk doorgebeld naar de zorgverlener.

2. Zo spoedig mogelijk: Als op een digitale-aanvraag/formulier, door de zorgverlener “zo spoedig mogelijk” wordt gezet, betekent dit: dat het materiaal met de eerstvolgende routine-ronde naar ons laboratorium wordt vervoerd, alwaar de analyses binnen de laboratoriumlogistiek met voorrang behandeld worden. De uitslagen worden vervolgens zo spoedig mogelijk doorgebeld naar de zorgverlener.

3. Voor een bepaalde tijd doorbellen/faxen: Deze procedure vertoont afhankelijk van aangegeven doorbeltijd overeenkomsten met item 2. Monsters behorende bij aanvragen met doorbellen voor een relatief laat tijdstip worden gewoon in de routine meegenomen, waarna ze worden doorgebeld/gefaxt.

Alle aanvragen die na 14.00 uur worden aangevraagd, zullen door de hoofdanalist worden aangenomen. Deze bespreekt met de zorgverlener de indicatie, het pakket van aanvragen, de locatie en het tijdstip van afname en maakt een afspraak waar en wanneer hij/zij te bereiken is voor de uitslag.

Bepalingen die cito aangevraagd kunnen worden:
Hematologie: Hb/Ht, Ery +Indices, Leucocyten, trombocyten, Diff-screen, BSE.
Chemie: Na/K, Kreatinine, Glucose, ALAT, ASAT, gamma-GT, LDH, Amylase, CK, CKMB, Bilirubine, TE, Albumine, Calcium, pro BNP, Troponine T en magnesium.
Medicijnspiegels: Lithium, Vancomycine en Digoxine.
Diversen: Zwangerschapstest, PT (tbv trombosedienst), urinesediment, D-dimeer, ß-HCG in serum, en testen m.b.t. prikaccidenten.

Doorbellen uitslagen: Gezien het risico op foutieve informatieoverdracht bij het telefonisch doorgeven van laboratoriumuitslagen op verzoek van de zorgverlener of naar aanleiding van één of meer (sterk) afwijkende uitslagen hanteren wij voor de medewerkers het volgende protocol:

Alvorens wordt overgegaan tot het doorgegeven van uitslagen:

• Noem (nogmaals) de naam, adres en geboortedatum van de betreffende patiënt;
• Noem de afnamedatum (als die anders is dan de huidige datum);
• Vraag of men de doorgegeven uitslagen ter controle wil herhalen;
• Geef vervolgens duidelijk sprekend de resultaten door, eerst de volledige testnaam, gevolgd door de uitslag;
• Wacht tot de gesprekspartner de resultaten heeft genoteerd en juist herhaald heeft alvorens door te gaan met de volgende test;
• Op verzoek van de zorgverlener kan een uitslag ook gefaxt worden.


Webshop

In de SALT-webshop kunt u diverse producten bestellen zoals:

• Urinepotjes
• POCT controles en reagens
• glucosestrips
• fecespotjes

Wij zorgen dat u de bestelling zo spoedig mogelijk ontvangt.

Klik hier om naar de webshop te gaan


Locaties

Voor onze locaties verwijzen wij u naar onze locaties pagina.


Tarieven

Voor onze actuele tarieven verwijzen wij u naar onze tarieven pagina.