Trombose

De trombosedienst van SALT begeleidt haar cliënten bij het gebruik van de antistollingsmedicijnen waaronder acenocoumarol of fenprocoumon.
Bij trombose is er sprake van een bloedstolsel in de bloedbaan. Dit stolsel kan zorgen voor een vernauwing of afsluiting van een bloedvat. Door deze vernauwing of afsluiting kan o.a. een TIA of trombosebeen ontstaan. Trombose kan spontaan optreden maar er zijn ook bepaalde ziekten of omstandigheden waarbij de kans op het krijgen van trombose groter is zoals hartritmestoornissen, langdurige bedrust of immobiliteit. Voor een goede gezondheid is het belangrijk om deze aandoening te behandelen.

Aanmelding

De behandelend arts van een patiënt stelt de indicatie voor de antistollingsbehandeling en verwijst de patiënt naar de trombosedienst via een aanmeldingsformulier. Dit formulier bevat algemene en medische gegevens en is ondertekend door de behandelend arts.

Bloedafname en bepaling van INR

Medewerkers van de trombosedienst verzorgen de bloedafname voor bepaling van de INR (International Normalized Ratio).  De bepaling van de INR wordt in een laboratorium uitgevoerd. De dosering wordt vastgesteld op geleide van de INR en aanvullende belangrijke medische gegevens. De patiënt ontvangt na iedere controle de dosering en de nieuwe controledatum.

Overstap van armprik naar vingerprik

Per mei 2017 is SALT overgestapt op de vingerprikmethode voor het bepalen van uw INR-waarde. Voorheen werd bloed afgenomen door middel van een prik in uw arm, ook wel venapunctie genoemd.
Deze nieuwe afnamemethode voor het bepalen van de INR-waarde is de vingerprik; met een klein prikje in de vinger en slechts één druppel bloed wordt uw stollingswaarde bepaald. De uitslag is kort daarna beschikbaar waardoor er snel geanticipeerd kan worden op uw INR-uitslag. Deze methode wordt door SALT al jaren ingezet bij de groep zelfmeetcliënten en nu ook bij onze trombosedienst. In slechts enkele gevallen kan een veneuze afname alsnog noodzakelijk blijken te zijn.

Uitwisseling medische informatie

De medewerkers van de trombosedienst informeren de patiënt over het gebruik van de antistollingsmedicijnen. De patiënt wordt gevraagd de trombosedienst op de hoogte te stellen over zaken die van invloed kunnen zijn op de antistolling (wijziging medicatie, ziekte, ziekenhuisopname, ingrepen, bloedingen etc.).